Welkom bij MERIAL Nederland

Home > Voor gezelschapsdieren > Konijnen

Konijnen

Het konijn in het algemeen

Het konijn is een zoogdier, dat behoort tot de orde der haasachtigen (Lagomorpha). Hoewel het op een knaagdier lijkt, behoort het konijn dus niet tot de knaagdierenorde.

Het konijn is in een vrij groot aantal vormen gedomesticeerd (tot huisdier gemaakt). Als huisdieren worden volgens de “Nederlandse standaard” diverse rassen onderscheiden. Pas in het midden van de negentiende eeuw werden konijnen ook als hobbydier gehouden, waarbij speciale konijnententoonstellingen werden gehouden. Na de Tweede Wereldoorlog werd het konijn een populair gezelschapsdier.
Konijnenrassen variëren zeer van grootte, kleur, vachtlengte en de stand van de oren. Een groot ras, zoals de Vlaamse reus, kan meer dan acht kilogram wegen bij een kop-romplengte van minimaal 65 centimeter, terwijl dwergkonijntjes nauwelijks een kilogram wegen. Het normale konijn weegt ongeveer anderhalf tot twee kilogram. Tamme konijnen kunnen, mits ze goed verzorgd worden, wel 12 jaar oud worden.

Het wilde konijn heeft een kop-romplengte van 34 tot 50 centimeter en heeft een lichaamsgewicht van 1,2 tot 2,5 kilogram. Het staartje is 4 tot 8 centimeter lang. Wilde konijnen hebben voornamelijk een grijsbruine kleur, wildkleur of “agouti” genaamd. Bij het wilde konijn zijn de oren minder lang dan de lengte van de kop. Het konijn wordt in het wild maximaal negen jaar oud.

Voedster en rammelaar

De "rammelaar" of "ram" is het mannelijk konijn. Deze zijn temperamentvoller dan de voedsters. De rammelaar is meestal dikker en zwaarder en heeft een bredere kop.

Een "voedster" of "moer" is een vrouwelijk konijn. Deze zijn, naast het verschil in genitaliën, van mannelijke konijnen (de “rammelaars”) te onderscheiden, doordat hun lijf langer is en de kop minder grof. Bij jonge konijnen is dit onderscheid moeilijker te maken. De voedster is over het algemeen rustiger dan een ram, behalve wanneer ze drachtig is of net jongen (“lamprei”) heeft gekregen; dan kan zelfs het liefste konijn behoorlijk uitvallen en je een ferme beet bezorgen. Laat haar daarom eerst je geur ruiken, die haar waarschijnlijk bekend voorkomt. Daardoor zal ze rustiger worden.

Voeding

Konijnen kun je het beste kleine stukjes van zoveel mogelijk verschillende groenten tegelijk geven, in plaats van een grote hoeveelheid van één soort groente. Belangrijk is om konijnen van genoeg vezels te voorzien; vul korrels of groenvoer daarom steeds aan met hooi of gras. Zonder vezels riskeert het konijn diarree of “dikkebuikenziekte”.
Verschillende groenten zijn geschikt om te voeren. Teveel klaver geeft problemen, net zoals veel nat gras. Met koolsoorten en sla en witlof moet je voorzichtig zijn, omdat een konijn daar heel snel gasvorming van krijgt, wat dodelijk kan zijn.

In de natuur eten wilde konijnen heel gevarieerd en eten overal een klein beetje van. Er zijn in de natuur dan ook nog veel meer kruiden en planten, die goed zijn voor konijnen.

Coprofagie

Het konijn leeft alleen van plantaardig voedsel. Het konijn eet zijn eigen keutels op, dit heet coprofagie. Dit is een soort herkauwing van voedsel. Het produceren van de keutels kent dan ook twee fasen. De eerste fase bestaat uit de zogenaamde “blindedarmkeutels”. Dit zijn voedselresten die een gisting (= fermentatie) hebben ondergaan waardoor ze rijk zijn aan aminozuren, vitamine B, K en water. In de eerste fase eet het konijn deze verse blindedarmkeutels weer op. Dit gebeurt veelal's nachts/vroeg in de ochtend. In de tweede fase worden de 'echte' keutels geproduceerd. Deze worden daadwerkelijk in het hok (de omgeving) uitgepoept. De keutels die in het hok liggen kunnen dan ook zonder meer worden weggehaald, zonder dat hierbij de opname van belangrijke voedingsstoffen wordt beïnvloed.