Welkom bij MERIAL Nederland
Home > Voor paardenliefhebbers > Informatie over ziekten > Influenza, Rhinopneumonie en Tetanus
Influenza, Rhinopneumonie en Tetanus
Influenza
Het influenzavirus hoort tot de groep van Orthomyxo-virussen. Het virus veroorzaakt een infectie van de voortste luchtwegen. Deze infectie kan gepaard gaan met verminderde eetlust, hoesten en algemene malaise.
Tijdens influenza is er kans op een secundaire infectie als gevolg van beschadiging van het slijmvlies door het virus. Volwassen paarden sterven zelden aan een influenza-infectie. Veulens die te weinig antistoffen via de biest binnen hebben gekregen kunnen hier wel aan sterven. Een influenza-infectie bij jonge dieren kan leiden tot blijvende schade aan het ademhalingsapparaat en zodoende een verminderd prestatievermogen.
Van het influenzavirus zijn er meerdere stammen in omloop. Als een paard immuniteit heeft tegen de ene stam kan het nog steeds een infectie oplopen door een andere stam. Daarnaast verandert het virus ook langzaam. Dit heet muteren. Bij vaccinatie tegen influenza is het dus van belang om te kiezen voor een vaccin wat én up-to-date is én beschermt tegen meerdere stammen.
Sommige virusstammen lijken onderling sterk op elkaar. Vaccinatie tegen de ene stam resulteert in sommige gevallen ook in bescherming tegen de andere stam. Dit noemt met kruisimmuniteit. Bij een goed vaccin zijn de stammen zo gekozen dat kruisimmuniteit optimaal optreedt.
Om een paard optimale bescherming te bieden gedurende het hele leven is het van belang om op tijd te beginnen met vaccineren.
In de regel begint men met vaccineren als het veulen 5 à 6 maanden oud is. De tweede enting volgt 4 weken daarna. Daarna volgt nog een derde vaccinatie op 12 maanden leeftijd. De veel gemaakte fout is dat de derde vaccinatie plaats moet vinden 12 maanden na de tweede. Het moet echter zijn op de 12e maand, als het veulen één jaar wordt.
Hierna is een jaarlijkse herhaling voldoende. Voor sommige wedstrijden wordt geëist dat het paard halfjaarlijks wordt gevaccineerd. Tijdens vaccinatie kan een lokale zwelling ontstaan. Dit kan geen kwaad en zal meestal spontaan weer verdwijnen.
Rhinopneumonie
Rhinopneumonie wordt veroorzaakt door een herpesvirus. Herpesvirussen kunnen lang verborgen blijven in het lichaam en kunnen tijdens stressvolle perioden ineens de kop opsteken. Bij paarden zijn er drie vormen van rhinopneumonie.
Ademhalingsvorm
Besmetting vooral door neuscontact. De ademhalingsvorm gaat gepaard met koorts, algemene malaise en soms dikke benen. Bijkomende complicatie kan longontsteking zijn. Preventie is mogelijk door halfjaarlijkse vaccinatie. Hierbij moet dan wel het gehele koppel worden gevaccineerd.
Abortusvorm
Met rhinopneumonie geïnfecteerde merries kunnen aborteren. Preventieve maatregelen zijn vooral het contact beperken met andere paarden en om de twee maanden preventief enten tijdens de dracht.
Neurologischevorm
Samengeklonterde deeltjes, antistoffen en virus, lopen vast in de bloedvaten die naar zenuwvezels lopen. Door een tekort aan bloed sterven deze af en ontstaat de verlamming.
Tetanus
Tetanus wordt veroorzaakt door de bacterie Clostridium tetanie. Deze bacterie komt overal om ons heen voor. Infectie gebeurt vaak na een steek- of snijwond of een wondinfectie. Paarden zijn zeer gevoelig voor deze bacterie.
Na infectie gaat de bacterie zich vermeerderen en zal een gifstof vormen waardoor in de spieren kramp ontstaat. Tijd tussen besmetting en ziektebeeld ligt ongeveer een week.
Tijdens het verloop van het ziektebeeld breidt de kramp zich vanuit de kaak uit over het gehele lichaam. Zodra de kramp de ademhalingsspieren bereikt, sterft het paard. Behandeling is zeer omslachtig. Het beste kan daarom preventief worden gevaccineerd. In de meeste gevallen worden paarden gevaccineerd tegen tetanus door middel van een combinatievaccinatie met influenza.
